Prof. dr. Agnes Scholing: “De grenzen tussen de traditionele stromingen in de psychologie zijn aan het vervagen.”

Psychoanalyse als behandelwijze binnen de psychologie staat al een tijdje ter discussie. Het zou niet meer van deze tijd zijn. Freuds minachting voor de vrouw als sociaal zwak, jaloers en ontzettend ijdel wezen is hiervan een voorbeeld. Net zoals zijn ideeën over homoseksualiteit, die bij mannen zou zijn ontstaan door de aanwezigheid van een dominante moeder en bij vrouwen door hun angst voor mannen of hun incestueuze wensen. Bovendien zouden de behandelingen te lang duren en dus te duur zijn en zijn resultaten van de behandeling niet goed meetbaar. Op universiteiten en bij opleiders in de geestelijke gezondheidszorg is de psychoanalyse aan het verdwijnen. Hoe kijkt de hoofdopleider van RINO Zuid, prof. dr. Agnes Scholing hier tegenaan?

Evidence based en afgestemd op de persoon
“Vanaf de jaren 60-70 had je vier stromingen: psychoanalytische psychotherapie, (cognitieve) gedragstherapie, cliëntgerichte psychotherapie, en systeemtherapie. Inmiddels wordt groepspsychotherapie door sommigen gezien als vijfde stroming. Wat je ziet is dat deze stromingen de laatste jaren naar elkaar toe groeien. Dat komt doordat ze werkzame elementen van elkaar overnemen. En daar ben ik een groot voorstander van. De psychotherapeut is de deskundige in het toepassen van werkzaam gebleken psychotherapeutische methoden bij individuele patiënten, groepen en systemen, en in het hanteren van de therapeutische relatie ten behoeve van de door de patiënt gewenste verandering. Een behandelaar moet dié interventies toepassen waarvan uit onderzoek is gebleken dat ze werken, en dan doet het er minder toe binnen welke stroming deze interventies van oorsprong werden ontwikkeld. Alle stromingen hebben elementen die werkzaam zijn, alleen leggen ze daarin de nadruk verschillend. Daarnaast blijft het altijd nodig dat een behandelaar de therapie goed op de persoon afstemt. Want wat voor de ene patiënt werkt, kan voor de ander minder geschikt zijn. Overigens betekent individueel afstemmen vooral dat je de evidence based behandelingen goed bij de patiënt laat aansluiten, niet dat je ineens een heel andere interventie gaat kiezen. Er bestaan nog veel vooroordelen voor behandelprotocollen, alsof die patiënten en therapeuten in een keurslijf zouden drukken. Dat is helemaal niet nodig en dat is ook geen adequaat gebruik van behandelprotocollen. Verder zijn er werkzame factoren binnen de psychotherapie die los staan van een bepaalde stroming. Hierbij kun je bijvoorbeeld denken aan het tot stand brengen van een goede therapeutische relatie en het tijdig herkennen en goed hanteren van verstoringen in die relatie.”

Professionele attitude
“De laatste jaren vraagt de GGZ steeds meer van de psychotherapeut waar het gaat om professionaliteit. Dat betekent in de eerste plaats dat hij op de hoogte is van de laatste wetenschappelijke inzichten rond de psychotherapie en deze toepast in zijn behandeling. Professioneel handelen betekent verder bijvoorbeeld: integer kunnen omgaan met verschillende rollen ten aanzien van patiënten en mogelijke conflicten tussen die rollen, en in het hanteren van afstand en nabijheid in hulpverleningsrelaties. Ook komt professionaliteit tot uiting in een heldere communicatie naar patiënten, collega's en anderen, en in een goede samenwerking met andere professionals. Een belangrijke vorm van professionaliteit is dat je steeds actief zoekt naar feedback op je eigen handelen -bijvoorbeeld over de resultaten van je behandelingen- en op basis van die feedback zo nodig je handelen aanpast. Aan de vorming van deze professionele identiteit en attitude, zoals we dat noemen, zou wat mij betreft meer aandacht besteed mogen worden. Daarom zijn we bij RINO Zuid met de verschillende opleidingen samen bezig met het ontwikkelen van een leerlijn op dit gebied.”

 Consequenties voor de opleidingen
“Over het meer centraal stellen van evidence based interventies zijn we in gesprek met onze hoofddocenten, groepsvertegenwoordigers en praktijkopleiders. Vasthouden aan de traditionele stromingen kan leiden tot verstarring en dat zou jammer zijn. Een psychotherapeut moet verschillende interventies goed beheersen: zowel cognitieve als gedragsmatige als experiëntiële als systeem- en groepsgerichte interventies. En moet niet met lege handen staan als de behandeling niet werkt zoals gehoopt: op dat moment moet een psychotherapeut kunnen analyseren welke factoren de voortgang belemmeren. In dat opzicht ben ik blij met de toegenomen aandacht voor diagnostiek in de opleiding tot psychotherapeut, hoewel ik vind dat we behoefte hebben aan betere modellen om stagnerende behandelingen te analyseren en op basis van die analyse voorstellen te doen voor het behandelbeleid. Door de ontwikkeling naar het denken in competenties die men aan het einde van de opleiding moet hebben bereikt staan de verschillende opleidingen tot psychotherapeut in Nederland de komende jaren voor interessante uitdagingen. Psychotherapeuten van de toekomst moeten leren om goed te behandelen en te analyseren waarom dat soms niet lukt, maar moeten ook qua wetenschappelijke houding, communicatie en samenwerking zich ontwikkelen tot een echte professional.”